Het jojo-effect: je overtollige kilo’s willen geen afscheid nemen


Over het algemeen houdt je lichaam van balans. Door middel van allerlei feedbackmechanismen zorgt je lichaam ervoor dat het natuurlijke evenwicht bewaard wordt. Denk maar aan je lichaamstemperatuur, die normaalgesproken rond de 37 graden Celsius is. Wanneer je hartje zomer op een zonnig terrasje zit, stijgt je temperatuur. Je lichaam zet dan processen in gang om af te koelen. Je bloedvaten worden wijder en je begint te zweten, zodat je warmte kwijtraakt en afkoelt.

In principe doet je lichaam iets soortgelijks met je gewicht. Al ervaar je het misschien niet zo, je lichaam is er in normale omstandigheden heel goed in. We kijken er niet van op als iemand tijdens zijn volwassen leven een stabiel gewicht heeft. Maar het betekent dat alle 70 miljoen calorieën die hij in zijn hele leven heeft binnengekregen, ook weer zijn verbruikt aan zijn stofwisseling en beweging. Dat je lichaam dit kan met een minimale marge, is een bijzondere prestatie. Je lichaamsvet speelt hier een belangrijke rol in. Vroeger werd gedacht dat het alleen een opslagplaats voor vetten was, maar het blijkt zich te gedragen als een orgaan, dat honger op de lange termijn reguleert. Vetcellen geven het hormoon leptine af, dat de hersenen signaleert dat er voldoende lichaamsvet is en de honger onderdrukt. Hoe groter de vetcellen, des te meer leptine geven ze af. Dat betekent dat ze hun eigen omvang stabiel houden.


Als vetcellen een mechanisme hebben om verdere groei af te remmen, hoe komt het dan dat afvallen en op je streefgewicht blijven zo moeilijk is? Als je lichaam immers daadwerkelijk van stabiliteit hield, zou je denken dat het niets liever wil dan terugkeren naar een gezond gewicht. In de praktijk zie je echter dat het ontzettend moeilijk is om af te vallen zonder jojo-effect. De kilo’s die je in de loop der jaren bent aangekomen, lijken niet meer weg te willen. Hoe is dat te verklaren? In tegenstelling tot bijvoorbeeld lichaamswarmte, heeft gewicht niet een vast punt waar het altijd naar terug wil. Als je ondanks de signalering van vetcellen toch lange tijd meer eet dan je nodig hebt, zullen de vetcellen groeien. Ze blijven vet opslaan, totdat ze hun maximale opslagcapaciteit hebben bereikt. Als je dan nog steeds meer energie binnenkrijgt dan je verbruikt, ontstaan er nieuwe vetcellen. Die vetcellen gaan nooit meer weg. Wanneer je minder gaat eten en afvalt, zullen de vetcellen krimpen maar niet in aantal verminderen. Als je veel bent afgevallen, bestaat je vetweefsel dus uit heel veel kleine vetcellen. Deze kleine vetcellen produceren minder leptine, waardoor honger minder goed onderdrukt wordt. Bovendien nemen ze glucose sneller op en zetten ze het sneller om in vet, omdat ze gevoeliger zijn voor insuline. Kleine vetcellen zijn dus krachtiger in het opslaan van vet. Het verbruik van de vetten gaat daarentegen minder efficiënt wanneer vetcellen klein zijn.


Je ziet dus dat overgewicht een blijvende verandering in je lichaam teweeg kan brengen. De groei in het aantal vetcellen maakt het moeilijk om weer op streefgewicht te komen en te blijven. Als je afvalt, zullen ze weliswaar kleiner worden maar veranderen daarmee ook in een soort ultra-efficiënte vetcontainer. Ze onderdrukken minder goed honger, ze zijn extra snel in het opslaan van vet en juist trager in het verbruik ervan. Met andere woorden, eenmaal opgebouwde vetreserves doen er alles aan om te overleven. Voor iemand die overgewicht heeft gehad en vervolgens is afgevallen, is het daarom moeilijker om zijn streefgewicht te behouden dan voor iemand die nooit overgewicht heeft gehad.



Photo by Siora Photography on Unsplash